Kunst, woensdag 11 mei 2011

‘Waardering is toch veel prettiger dan gratis geld’
Uiteindelijk wil een muzikant muziek maken en een kunstenaar kunst. Of er nou geld voor is of niet. Zij zijn bereid om daar hard voor te werken. Maar genoeg geld verzamelen om te overleven is niet zo eenvoudig.
Splendor heeft zijn eerste doel bereikt. Het muziekcollectief heeft 159.000 euro bij elkaar om het Oude Badhuis in de Nieuwe Uilenburgerstraat in Amsterdam-Centrum te verbouwen tot een muziekcentrum. Dat bedrag was nodig om stadsdeel Centrum te garanderen dat Splendor de verbouwing kan betalen. Het geld kwam bijeen door 159 obligaties die voor duizend euro per stuk werden uitgegeven. Als wederdienst krijgt de obligatiehouder in de komende tien jaar één keer een privéconcert thuis van één van de vijftig muzikanten die aan Splendor zijn verbonden.
Contrabassist Wilmar de Visser is initiatiefnemer van Splendor. In 2009, nog vóór de dreiging van afkalvende subsidies, wilde hij een plek maken waar vijftig musici kunnen repeteren en optreden, als collectief geleid en geheel onafhankelijk. “Om de huur en exploitatie van het gebouw mogelijk te maken en draagvlak te krijgen, hebben we een club van duizend mensen gevonden die elk jaar honderd euro betalen aan Splendor. Dat is honderdduizend euro per jaar.” In ruil daarvoor geeft elke musicus twee keer per jaar een openbaar concert voor die donateurs. De musici van Splendor zijn mensen van naam, sopraan Claron McFadden bijvoorbeeld, of Concertgebouwtrombonist Jörgen van Rijen. Ze komen uit uiteenlopende disciplines: van jazz tot klassiek tot modern. De Visser maakt de selectie.
Tot het gebouw gereed is, treedt Splendor op verschillende plekken op. Zo staan er muzikanten op woensdag in de Amsterdamse Kring of in Koffiehuis Hollandsche Lloyd. De Visser noemt het een waterdicht systeem. “Wij krijgen straks een plek waar wij in paradijselijke omstandigheden kunnen repeteren en concerten geven en in ruil daarvoor treden wij op. Simpel.”
In de praktijk komt er nog meer bij kijken. Want behalve obligatiehouders en leden is er altijd meer geld nodig. Ook daar heeft De Visser al een antwoord op. “Als het gebouw er is, wordt ook de exploitatie van horeca en de zalen een inkomstenbron. En we zijn op zoek naar sponsors.” De opzet van Splendor klinkt als het ei van Columbus in de culturele sector. Maar kanttekeningen zijn op zijn plaats. Dit systeem vervangt geen subsidies.
De Visser beaamt dat. “Splendor onderhoudt zichzelf, maar inkomsten moet de musicus elders halen. Aan het woord cultureel ondernemerschap kleeft een naar randje: natuurlijk zijn we ondernemend bezig, maar met deze opzet gaan we nooit een jaarsalaris verdienen. We kunnen ons dit project veroorloven doordat we in een (gesubsidieerd) orkest zitten of ergens anders ons geld verdienen.”
Johan Dorrestein, projectleider bij Splendor, vult dat aan. “Het is geen alternatief voor subsidies. De schaal is het probleem. Je zult nooit een groot orkest kunnen betalen van de kaartverkoop van een klein zaaltje. Daar is dus altijd subsidie voor nodig. ”
Tegelijkertijd kijken de mannen van Splendor met een kritische blik naar de huidige gesubsidieerde instellingen. Volgens hen kan er efficiënter worden gewerkt. “Een standaardreactie als je subsidie krijgt is: posters maken, driehoeksborden huren, flyers met dure grafische ontwerpen bestellen,” zegt De Visser. “Ik verdien 2,35 per uur, al mijn uren bij elkaar opgeteld. Musici zitten aan het eind van de geldketen. Voordat de musicus is betaald, is er al heel veel geld uitgegeven. Bij Splendor hebben we de mazzel dat we een enorm netwerk hebben en er gratis posters voor ons worden gemaakt. Maar ook andere gezelschappen kunnen beter samenwerken: doe samen de marketing en de publiciteit, dat scheelt enorm.”
Splendor is niet een protest tegen subsidie, stelt De Visser. “Het idee was al geboren voordat al deze bezuinigingen ontstonden. Ons doel is muziek maken.”
Déiska, een afkorting voor Dienst Is Kunst, ontstond niet vanuit kunstenaars, zoals Splendor vanuit musici is ontstaan, maar vanuit kunstliefhebbers. Donna Wolf, een Amerikaanse econome die in Amsterdam woont, begon acht jaar geleden met het concept. Geïnspireerd door de Stichting Beeldende Kunstuitleen (SBK) ambieerde ze een vereniging van kunstverzamelaars én kunstenaars. “Ik wilde dat verzamelaars niet alleen kunstwerken kunnen lenen, maar de kunstenaars ook ontmoeten,” zegt Wolf.
Déiska is gestoeld op drie gedachten. Het uitgangspunt is de ruil van een dienst voor een kunstwerk. Wolf levert bijvoorbeeld een dienst de administratie van een kunstenaar, het zoeken van ateliers, contact leggen met galerieën in het buitenland en de kunstenaar betaalt met een kunstwerk. De kunstwerken komen in de collectie van Déiska. De tweede tak is het in contact brengen van kunstenaars met kunstverzamelaars. Déiska heeft vennoten in een commanditaire vennootschap, een technische term die inhoudt dat alle aandeelhouders een bedrag inbrengen, maar niet allemaal aansprakelijk zijn voor eventuele schulden. Alle aandeelhouders mogen kunstwerken lenen. Tot slot exposeert Wolf de kunstwerken die in de collectie van Déiska terechtkomen. Daarvoor regelt ze leegstaande panden. Zo had ze van september tot januari een expositie op de begane grond van het Hirschgebouw op het Leidseplein. Het pand kreeg ze via haar netwerk van verzamelaars. En de kunst was voor iedereen te zien. “Het was een groot succes. Tienduizend mensen kwamen langs.”
Wolf heeft een selectiecommissie om kunstenaars op hun waarde te beoordelen. Een kunstwerk moet wel waarde hebben om tegenover een dienst te staan. Wolf: “Een dienst is zo veel waard, een kunstwerk zo veel. Je ontkomt er niet aan de vertaling naar geld te maken.”
Geregeld is Wolf subsidie aangeboden door overheidsfondsen. “Jij doet wat wij willen doen, zeiden ze dan.” Dat heeft ze steeds afgewezen. “Het gaat er mij om een sluitend economisch model te maken in de kunst. Dat is in acht jaar gelukt. Nu wil ik andere mogelijkheden onderzoeken: door bijvoorbeeld crowdfunding toe te passen. Om dat te ontdekken wil ik misschien wel een beurs aanvragen.”
Ze gelooft net als Splendor dat subsidie onmisbaar is, maar wel in een ander model. “Er zijn dingen die niet één op één terug te verdienen zijn. Sommige kunstwerken zijn niet aantrekkelijk om te sponsoren. Ik zie een ideaal model voor me dat bedrijven beginnen, particulieren bijleggen en de overheid als katalysator optreedt. Want iedereen wil toch gewaardeerd worden voor wat hij doet? Dat is toch veel prettiger dan gratis geld?”
Dit is het vierde deel uit een serie over de (on)mogelijkheden van cultureel ondernemerschap.
Splendor, hoe het werkt
Splendor heeft leden die voor honderd euro per jaar concerten kunnen bijwonen. Ook zijn er obligatiehouders; zij kopen voor duizend euro een obligatie met een looptijd van tien jaar en worden in rente uitbetaald met een privéconcert. Verder kopen alle musici zich in voor duizend euro, de founder obligatie, met een looptijd van twintig jaar. 1 januari 2013 wil Splendor opengaan, obligatiehouders blijven welkom.
www.splendoramsterdam.com

Déiska - Voor 15.500 duizend euro word je vennoot van kunstfonds Déiska. Het is ook mogelijk om halve vennoot te worden. Deelnemers worden mede-eigenaar van de kunstcollectie en hebben recht op het lenen van kunstwerken. Fiscaal hebben deelnemers een aftrekpost. Als wederdienst worden culturele evenementen georganiseerd. Vennoten moeten er minimaal vijf jaar in zitten. Na die vijf jaar kan het aandeel bijvoorbeeld worden omgezet in kunst.
www.deiska.com