Samen verzamelen

Edo Dijksterhuis Juni 2006

Kunst kopen en verzamelen is soms te duur of te riskant om alleen te doen. Dus slaan collectioneurs de handen ineen. Ze gaan ad hoc-koopcontracten aan, verenigen zich in een vennootschap of nemen deel aan een beleggingsfonds.

Niet zo lang geleden was het weer raak. Had Galerie Quintessens in Utrecht een grote tentoonstelling met foto’s van Paul Blanca. Vincent Vlasblom was er met een bevriend verzamelaar en beide waren diep onder de indruk van het getoonde. En dus kochten ze. Niet een enkel stuk, nee de complete serie van zestien foto’s. Vlasblom betaalde de helft van de prijs, zijn vriend de andere helft. ‘Op deze manier houden we het werk als geheel bij elkaar’, stelt de verzamelaar. ‘Dat moet je koesteren. Mochten we het werk ooit weer willen verkopen dan gaat de serie ook weer als geheel de deur uit.’
Met de vriend die nu mede-eigenaar is van de Blanca’s heeft Vlasblom wel vaker iets samen gekocht. Het begon met foto’s van Nobuyoshi Araki, herinnert hij zich nog. ‘Hij wilde dolgraag iets van Araki hebben maar durfde nog niet zo goed zelf iets te kopen. Toen zei ik: “dan doen we het toch gewoon samen”. Maar zoiets doe je natuurlijk alleen met mensen die je vertrouwt. En je moet wel op papier zetten dat beide eigenaar zijn, hoe het verzekerd moet zijn, waar het werk komt te hangen en dat soort zaken.’
Zelf verzamelt Vlasblom al veertig jaar. Hij begon op achttienjarige leeftijd – helemaal op eigen kracht. ‘Mijn vrienden kochten voor 450 gulden een witte Puch. Ik kocht voor dat bedrag een witte Jan Schoonhoven. Ik wist dat zij na drie jaar aan die brommer niets meer zouden hebben, terwijl ik dertig jaar later nog steeds veel plezier van mijn Schoonhoven zou hebben.’ Dat kwam niet helemaal zo uit, want hij verkocht het reliëf in de jaren tachtig. Om weer iets nieuws te kopen. ‘De bezitsdrang blijft’, stelt Vlasblom. ‘Er is altijd weer een werk dat je absoluut moet hebben.’
Inmiddels heeft Vlasblom een verzameling van ruim achthonderd kunstwerken ‘bij elkaar gerommeld’, zoals hij het zelf noemt. Hoewel hij als directeur van een eigen grafisch ontwerpbureau zeker niet onbemiddeld is, kan hij geen topprijzen neertellen. Het hoogste bedrag dat hij ooit betaalde was 18.000 gulden. Hij koopt bijna altijd rechtstreeks van de kunstenaar, die hij vaak ontdekt voordat de roem toeslaat en de prijzen stijgen. Soms ontwerpt hij een catalogus in ruil voor schilderijen. Of probeert hij kunstenaars op een andere wijze tot ruilhandel te bewegen, zoals het aanbod het huis van de toen nog volstrekt onbekende kunstenaar Thierry de Cordier te financieren.
Maar soms is een werk simpelweg te duur voor Vlasbloms financiële draagkracht. En dan klopt hij aan bij vrienden van wie hij weet dat ze ook in kunst geïnteresseerd zijn. Inmiddels deelt hij kunst met zes medeverzamelaars. Het gaat om dertig tot veertig werken, waarbij een cluster als de zestien Blanca-foto’s als een enkel werk geteld wordt. ‘Ik heb er nog nooit problemen mee gehad; op een gedeeld werk ben je immers dubbel zo zuinig als op je eigen’, stelt Vlasblom. ‘Natuurlijk heb ik wel gekozen voor stabiele partners met een financieel solide basis. Ik koop niet met gokkers die zo snel mogelijk weer willen verkopen om winst te maken. Zo verzamel ik zelf ook niet.’

Duwtje

Nederland telt tussen de zeshonderd en duizend hedendaagse kunstverzamelaars van het formaat Vlasblom. Hoeveel het er precies zijn weet niemand. Ook Renée Steenbergen niet, die in 2002 het boek Iets dat zo veel kost, is alles waard schreef. Al op de eerste bladzijden van haar vuistdikke standaardwerk stelde ze vast dat kunstverzamelaars op geen enkele wijze zijn verenigd; er is geen club, vereniging of zelfs vakblad. ‘Nederlandse verzamelaars zijn nogal solitair’, stelt Steenbergen. ‘En lange tijd was het verzamelen van kunst ook iets dat vooral binnenskamers bleef. Men wilde er niet teveel mee te koop lopen. Dat zie je nu veranderen. Verzamelen wordt hip en chique gevonden. Het is een issue.’
De opening vorig jaar van Museum De Fundatie in Zwolle, het eerste museum geheel gewijd aan particuliere kunstverzamelingen, is wat dat betreft een teken aan de wand. Maar Steenbergen vindt dat musea verder moeten gaan en actief verzamelaars als groep aan zich zouden moeten binden. ‘Met verzamelaarsclubs zoals de Tate Modern en het MoMA in New York die hebben. Dan kan je ze een duwtje in de juiste richting geven en ze, in wezen, met het boodschappenlijstje van het museum op stap sturen.’
Een bloeiend verzamelcircuit is niet alleen goed voor musea. Ook kunstenaars, galeriehouders en kunsthandel profiteren ervan. Het is niet voor niets dat de Mondriaan Stichting, Nederlands grootste cultuurfonds, vorig jaar geld stak in een verzamelaarscursus die georganiseerd werd door kunstenaarsinitiatief W139. Een vervolg, dat in de maak is, kan ook op steun rekenen.
De grote veilinghuizen dragen op hun eigen wijze een steentje bij. Zo organiseert Sotheby’s onder de naam New Collectors Club avonden met lezingen en voorbezichtigingen van bijzondere, te veilen stukken. Christie’s doet hetzelfde onder de naam CU @ Christie’s. En Glerum heeft in mei een eerste editie gehad van de Sauza Art Society. Hoewel ze zich wel als zodanig presenteren zijn dit natuurlijk geen echte verzamelaarsclubs. Het zijn meer kweekvijvers voor potentiële klanten dan dat het groepen zijn die gezamenlijk kunstwerken aankopen.
Voor dat fenomeen moet men vooralsnog over de grens naar het zuiden kijken. Al in de jaren twintig bestond er in Parijs een verzamelaarsclub genaamd Le Peau d’Ours. De club, die toen bijzonder actueel werk kocht van onder andere Bracques en Picasso, was in eerste instantie opgezet als beleggingsvehikel; de naam – ‘de huid van de beer’, die dus niet verkocht moet worden voordat hij geschoten is – is een indicatie van die financiële inslag. Maar gaandeweg veranderden de beleggers in gepassioneerde liefhebbers en werd er weinig meer verkocht. Le Peau d’Ours werd een collectiecollectief.
Meer van dit soort herenclubs die in plaats van golven of tuinieren samen kunst aankopen, zijn te vinden in België. Ze komen een keer per een of twee maanden samen, eten en drinken lekker, en bekijken het gezamenlijke bezit. Ondertussen bespreken ze – vaak onder begeleiding van een extern adviseur – nieuwe aankopen. En ze bezoeken ontelbare beurzen en biënnales. Waar hun aanwezigheid niet onopgemerkt blijft, getuige het gevleugelde ‘De Belgen komen!’ dat dan langs de galeriestands zoemt.
In Nederland komen langzaam soortgelijke initiatieven van de grond, maar het is allemaal nog pril en kleinschalig. Toch denkt Vlasblom dat we de kant van België opgaan. ‘Er is een hele nieuwe lichting jonge verzamelaars opgestaan en die werkt veel samen. Dat heeft alles te maken met het prijsniveau van de hedendaagse kunst, dat de afgelopen tien, vijftien jaar is geëxplodeerd. Zelfs voor werk van beginnend kunstenaars gaan zulke enorme bedragen over tafel, dat is in je eentje niet op te brengen. Ik zie de samenwerking nu al op veilingen. Laatst bij Sotheby’s bijvoorbeeld boden vier jonge jongens samen op twee werken.’

Interactief verzamelen

Gezamenlijke kunstkoop is vaak een zaak van een beperkt aantal particulieren en heeft iets informeels. Heel anders gaat het er aan toe bij Deïska, dat zich laat typeren als verzamelaarsclub maar statutair een gesloten vennootschap is. Er is een comité van aanbeveling, een selectiecomité en een gekozen raad van toezicht. Er wordt gewerkt met jaarverslagen en contracten.
Deïska werd in 2001 opgericht door jurist Eduard de Geer, die een kunstfonds annex dienstenpool wilde opzetten waarin kunstenaars rechtsbijstand en juridisch advies konden ruilen voor kunst. Drie vennoten betaalden ieder elfduizend euro, waar de overhead mee werd bekostigd en de eerste kunstwerken aangekocht. Drie maanden later kwam huidig directeur Donna Wolf bij de organisatie en kreeg het initiatief duidelijker contouren. ‘Ik wilde jonge kunstenaars brengen die nog geen galerie hebben, onze steun moet een push voor hun carrière zijn’, vertelt Wolf, die hiervoor als econoom werkte bij Step Stone en in twee jaar tijd elf bedrijven opzette in bijna even zoveel landen. Als vennoten zocht ze eigenlijk mensen die op haarzelf leken: geïnteresseerd in kunst maar nog geen verzamelaar. ‘Het is anders dan bij een uitleen. We kopen zeker geen gemakkelijke kunst, en alleen werk van hoge kwaliteit.’
Inmiddels telt Deïska 35 vennoten, waarvan veertien halve die 6750 euro inleggen. Betaling kan per jaar en zelfs per maand geschieden, en is deels belastingaftrekbaar. Het vennootschap geldt voor vijf jaar en tussentijds uitstappen is onmogelijk. Aan het eind van de vijfjarige looptijd - dat zal volgend jaar voor het eerst zijn – wordt collectief besloten om het vennootschap (van een gesloten naar een open vennootschap te maken = vrij verhandelbaar) (Theoretisch zal er ook na vijf jaar een mogelijkheid zijn om het vennotschap op te heffen, maar de vennoten hebben daar voorlopig geen ogen naar) In geval van opheffing wordt de verzameling verkocht of verdeeld over de vennoten. Wordt er doorgegaan, en dat is het huidig plan, dan groeit de collectie verder. Wolf: ‘Ik wil eigenlijk pas beginnen met verkopen als we vijfhonderd werken hebben. Dat zal waarschijnlijk over tien jaar zijn. De oorspronkelijke aankoopprijs gaat dan terug in het fonds, tien procent gaat naar de kunstenaar in de vorm van volgrecht, en de rest is dividend. Afhankelijk van de wensen van de vennoten kan dat worden uitgekeerd of terug in de pot gestort worden.’
Nu telt de collectie zo’n 140 werken, variërend van grote sculpturen tot geluidsinstallaties. Een groot deel ervan staat nu in het voormalige ABN-Amro-kantoor op de Vijzelstraat, waar Deïska de viereneenhalf duizend vierkante meter grote parterre kan gebruiken als tentoonstellingsruimte totdat de AFM er zijn intrek neemt. Soms wordt werk uitgeleend voor tentoonstellingen, wat weer goed is voor de ‘provenance’ – ‘het cv’ - van het werk en de toekomstige prijs opdrijft. Een deel van de collectie hangt bij de vennoten thuis aan de muur. Afhankelijk van hun inleg hebben zijn ‘leenpunten’ – een punt voor iedere 250 euro inleg – die ze kunnen inzetten om de kunst waar ze mede-eigenaar van zijn een jaar in huis te hebben.
Veel werk uit de collectie is vroeg en scherp gekocht, direct uit het atelier. Zoals foto’s van Elspeth Diederiks die nu al in waarde zijn verdubbeld. Of collages en 8 mm films van Martha Colburn waarvan de prijs is vervijfvoudigd. Deïska verzamelt in de diepte; er worden per kunstenaar meerdere werken aangekocht uit verschillende periodes. De 33 kunstenaars vertegenwoordigd in de collectie hebben allemaal een tweejarig contract waarin staat dat ze jaarlijks minimaal tien uur dienstverlening afnemen. Dat kan hulp zijn bij het inkopen van voorraden of de productie kosten voorschieten, immigratie- of subsidieaanvragen, de inkomstenbelasting of de boekhouding. De aflossing bestaat uit kunst.
‘Een interactieve manier van verzamelen’, noemt Wolf het. ‘Het contact tussen verzamelaar en kunstenaar is heel belangrijk bij ons. Kunstenaars en vennoten praten over het werk, gaan soms samen naar beurzen, hebben gezamenlijke feesten. Een vennoot begint met het geven van geld maar gaat al heel snel veel verder. Hij wordt partner, investeerder, liefhebber. In het meest vergaande geval wordt hij mede-producent van het kunstwerk. Zo heeft een van onze kunstenaars een werk van staal gemaakt in de fabriek van een vennoot. In een grachtenpand van een andere vennoot hebben we exposities georganiseerd.’

Prijsvechters

Is een vennootschap al een redelijk geformaliseerde vorm van collectief verzamelen, dan is een kunstbeleggingsfonds dat helemaal. Nederland kent sinds eind juni zijn eerste kunstbeleggingsfonds, het Art Fund van Houses of Art. Het is ontstaan uit het kunstadvieswerk en de galeries van Houses of Art. ‘Vaak kregen we van onze klanten de vraag of kunst een goede investering is’, vertelt Houses of Art-directeur Bert-Arjan Millenaar. ‘Het antwoord is ja. Als beleggingsproduct heeft kunst een lage correlatie met aandelen, het is een aparte asset class, waardoor het zich goed leent voor de diversificatie van de beleggingsportefeuille. Maar het investeren in een enkel kunstwerk is buitengewoon risicovol. Daarom is het beter om dat te doen als collectief met een brede portefeuille.’
Het recente onderzoek van Merrill Lynch, waarin werd gesteld dat kunst als investering nog minder rendement opleverde dan goud, legt Millenaar naast zich neer. ‘Die uitspraak is gebaseerd op moeilijk te verkopen kunst, kunst uit het absolute topsegment. Wij investeren juist in werken die tussen de 2.500 en 50.000 euro kosten, dat is een courante markt. Het rendement – we mikken op minimaal 15 procent - halen we door bulkverkoop. Je kunt het vergelijken met luchtvaartprijsvechters als Easy Jet en Ryan Air. Die verdienen geld op de korte vluchten, door er heel veel te doen.’
Het Art Fund, dat participaties aanbiedt voor 15 duizend euro voor buitenlanders en 50 duizend voor Nederlanders en voor 1 januari 1,5 miljoen euro bij elkaar wil hebben, concentreert zich nu nog op Nederlandse kunstenaars. Die stal van ongeveer vijftien kunstenaars, die een contract van drie tot vijf jaar krijgen aangeboden, moet later uitgroeien tot vijftig. Het op de website getoonde werk is overwegend figuratief en kleurrijk – het soort kunst dat het ook goed doet op kunstbeurzen. Zelf maakt Millenaar een onderscheid in de investeringen. Tien procent van de aan te kopen kunst is volgens hem avant-gardistisch en heeft een hoog risico. Daartegenover staat tien procent ‘veilige investering’ in kunstenaars die zich internationaal bewezen hebben. Daartussen zitten de aankopen van jonge, regionaal bekende kunstenaars en nationale sterren.
Het rendement denkt Art Fund vooral te maken door de aangekochte kunst te verkopen in het buitenland. ‘Dat kan via bevriende galeries in bijvoorbeeld Londen’, vertelt Millenaar. ‘Maar we verkopen ook via onze eigen Art Centers. We hadden er al een in Amsterdam, drie maanden geleden hebben we er nog eentje geopend in Marbella in Spanje, en volgend jaar zijn Moskou en Dubai aan de beurt. Op den duur moeten er in vijftien, zestien steden Art Centers komen. En als die infrastructuur er eenmaal is dan is het reëel om als fonds te groeien. Een fonds van vijftig miljoen is over drie jaar haalbaar.’

Drempelvrees

Sommige van Millenaars beleggers zijn oprecht geïnteresseerd in kunst. Die vragen ook een kunstadvies en nemen werk uit het fonds in bruikleen, dat ze met tien procent korting kunnen kopen. Die lezen ook de driemaandelijkse nieuwsbrief, komen naar tentoonstellingsopeningen en reageren geïnteresseerd op uitnodigingen voor lezingen. Maar, zo geeft de Houses of Art-directeur meteen toe, ‘sommigen willen geen advies. Die willen alleen rendement. Punt.’
Ook Deïska werkt als een beleggingsfonds, heeft de bijbehorende solide onderbouwing en mikt op rendement. Maar, zo constateert directeur Wolf, ‘de meeste vennoten doen mee vanwege de maatschappelijke functie, het ondersteunen van de kunst. Die zeggen: “als ik er een mooi werk aan overhoud en geen verlies lijd, dan is het genoeg”. Bovendien doen ze vaak mee uit nieuwsgierigheid, ze willen meer leren over kunst.’
Wolf noemt Deïska dan ook ‘een opleiding tot verzamelaar’. ‘Heel wat vennoten verzamelen nu ook zelf buiten Deïska om. We helpen mensen over de drempelvrees die ze soms voelen bij galeries of kunstbeurzen. We laten ze zien wat er speelt, hoe prijzen zich ontwikkelen. Ze doen contacten op, ontmoeten kunstenaars. Ze leren kijken, leren hun intuïtie te vertrouwen en volgen.’
Die vonk van kennis en passie springt ook over bij de meest informele vorm van collectief verzamelen tussen particulieren. ‘Ik maak verzamelaars’, stelt verzamelveteraan Vincent Vlasblom simpelweg. ‘Mensen die geïnteresseerd zijn in verzamelen ontvang ik thuis, leid ik rond in musea of adviseer ik bij een aankoop. Ik zeg ze: “Ga kijken wat je lelijk vindt en vertel me waarom het lelijk is.” Daarna is het een kwestie van heel veel kijken en erover praten. Verzamelen doe je niet in een vacuüm.’